permalink

2

Gastcolumnist Volkskrant

Shantie_voorwebsiteDe verkoper vroeg: ‘Do you speak English?’

Als geboren Almelose had ik lange tijd een droom: Rotterdammer worden. Nu is het officieel. Ik sta samen met 74 andere Rotterdammers in het boek Rotterdam viert de stad. Een bundel verhalen over 75 jaar wederopbouw door evenzoveel Rotterdammers. In mijn stuk vertel ik hoe ik op achttienjarige leeftijd instinctief koos voor deze stad om er mijn studie bestuurskunde te starten.

Het was alsof ik in de spiegel keek. De stad was nog niet af, volop in ontwikkeling en werd vaak omschreven als underdog. Hetzelfde gold voor mij. De metamorfose van het Rotterdamse Centraal Station leek parallel aan mijn eigen ontwikkeling te lopen. Beetje bij beetje, steen voor steen, ontdekte ik wie ik was, durfde ik steeds groter te dromen. In een verhaal dat ik als alumna mocht schrijven, zei ik over mijn eerste jaar: ‘De universiteit met al haar collegezalen, gangen en winderige hoeken was een ongrijpbare moloch. Wat wilde ik graag een kamer huren. Niet alleen in Rotterdam, maar vooral in iemand anders’ studentenleven. Waar de academische wereld, de ongeschreven regels, de mores, bekend terrein waren.’ Maar de stad hield me op de been. Ik voelde geborgenheid in de diversiteit van de stad. De stad werd mijn muze en voorbeeld. Zoals die zichzelf steeds weer ontwikkelt en opnieuw uitvindt.

Pardon?

De hoofdpersoon van de nieuwe roman waaraan ik werk, wandelt graag door Rotterdam. Als hij wandelt, bestaat er geen verleden of toekomst. Hij valt samen met het ritme van de stad. Het is zijn manier van omgaan met het gevoel van ‘lost’ zijn. De voorliefde voor het wandelen door de stad heb ik gemeen met mijn hoofdpersoon. Al merk ik dat de stad soms wel eens ‘lost’ kan zijn door mij. Veel wandelen maakt hongerig. Dus stond ik laatst in de rij van een bekende broodzaak. Nieuwsgierig bekeek ik het aanbod. De rij werd steeds korter. Ik hoorde hoe de verkoopster de ene na de andere klant hielp. En toen was ik aan de beurt. Ze wierp een blik op mijn gezicht en vroeg: ‘Do you speak English?’ Pardon? Het was alsof ze iets onbehoorlijks vroeg. Of ik wel een vergunning had om brood te kopen. Onwillekeurig keek ik om me heen of de rest het ook had gehoord. Ik wilde zeggen dat ik een geboren Almelose ben. Dat ik schrijf in de Nederlandse taal. Dat dat mijn moedertaal is. Ik antwoordde: ‘Nee hoor, gewoon Nederlands.’ Ik zie de opluchting, maar ook een lichte schaamte over haar gezicht glijden. Alsof ik haar heb betrapt. Ik zie het niet voor het eerst. Laatst maakte ik samen met mijn man iets soortgelijks mee toen we kaartjes kochten voor een museum.

Pashokje

Een keer paste ik kleding in het centrum van Rotterdam. Ik schreef hier eerder op platform Nieuwwij over: ‘Ik werd subtiel van een pashokje in een ander hokje geplaatst. Geen van de door mij uitgezochte kleding paste. Alles zat iets te ruim. Een kleinere maat was er niet. ‘Wij richten ons echt op de Néderlandse vrouw,’ zei de verkoopster terwijl ze gebaarde naar haar eigen postuur. Ik begreep wat ze bedoelde. Ook dat het goed bedoeld was. Toch voelde het alsof ze een muurtje tussen ons had geplaatst. Als zij een Nederlandse vrouw is, wat ben ik – hier geboren en getogen en met een Hindoestaanse achtergrond – dan? En de vrouwen om mij heen? In het Rotterdamse straatbeeld is geen meerderheid qua etniciteit. Alleen Rotterdammer zijn overheerst.’ In een volgende winkel op mijn wandeltocht wordt gevraagd naar mijn naam voor het aanmaken van een winkelpas. Normaliter begin ik automatisch met spellen. Eraan gewend dat mijn naam niet gangbaar is. Simon, Hendrik, Anton, Nico, Tinus, Isaak, Edward: Shantie. Simon, Isaak, Nico, Gerard, Hendrik: Singh. (Is deze manier van spellen overigens niet aan eigentijdse vernieuwing toe?)

Hartje

Maar dan voel ik weerstand. Door meteen te beginnen met spellen, is het alsof ik me bij voorbaat verexcuseer. Maar waarvoor? Ik geef de ander niet de kans om me te verrassen door mijn naam wel goed te spellen. Door er zelf vanuit te gaan dat de ander het niet kent, kan mijn naam zich niet snel ontwikkelen tot een gangbare Nederlandse naam.   Ik loop naar de metro. Onderaan de roltrap kom ik een oudere Chinese vrouw tegen. Ze kijkt me glimlachend aan en begint te praten, maar ik versta haar niet. De vrouw denkt even na. Dan wijst ze naar mijn gezicht en maakt van haar handen een hartje. Daarna steekt ze haar beide duimen omhoog.  Onverwachte stadsintimiteit. Gewoon in de publieke ruimte van mijn geliefde stad Rotterdam.

facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmail

2 Comments

  1. Als het leven anders wordt, kunnen onverwachts nieuwe rituelen ontstaan

    Jouw woorden in de vk raken me….de liefde voor..je vader..je omgeving..
    Wil ik meer van ervaren , ga ik zeker doen,
    Dank daarvoor, gr els

Geef een reactie

Required fields are marked *.


background